Vleeswaren in Vlaanderen

Ons dagelijks boterhambeleg uit de vleeswarencategorie is ouder en meer streekgebonden dan we vaak vermoeden. Op Vlaamse schilderijen uit de 16de eeuw zijn al vleeswaren terug te vinden. Andere charcuterie vindt zijn oorsprong in de kleine vleeswarenfabriekjes uit het einde van de 19de eeuw.

Kalfsvlees

De kalfskoek valt samen met filet d’anvers en de kalfsrol onder de chique “charcuterie”. Dit waren producten uit de stad, bereid door de stadsslager voor de “bourgeoisie”. Kalfsvlees en rundvlees waren in Vlaanderen steeds ruim voorhanden dankzij de vraag naar melk, boter en botermelk. Het vlees werd tot voor WOII verwerkt bij de rundvleesbeenhouwer.

Varkenvlees

Heel andere koek zijn de traditionele varkenvleesvleeswaren zoals kop, kipkap, droge worsten, paté, gedroogde hesp, en niet te vergeten de “pens” in al zijn vormen. Deze producten vinden meestal hun oorsprong in de thuisslacht en zijn een middel om vlees langer te bewaren door het te zouten, te drogen, te koken of in het zuur op te leggen.

Paardenvlees

Laat ons tot slot de paardenvleesbeenhouwer niet vergeten, die naast vers vlees ook verschillende vleeswaren maakte. Sommigen groeiden uit tot vleeswarenfabriekjes waar de traditionele boulognes en het gerookt paardenvlees vandaan komen.

Kip-Konijn-Kalf

Onze enige Europese erkenning voor vleeswaren moeten we zoeken in de Westhoek. Potjesvlees uit de Westhoek sleepte een Beschermde Geografische Aanduiding of BGA in de wacht. Deze nostalgische en feestelijke charcuterie op basis van kip, konijn en kalfsvlees is niet meer een jaarlijkse kermisbereiding, maar vindt haar weg tussen de vleeswaren. 

o
<
>